Bermen
en Sloten
Bermen en sloten vervullen verschillende functies. Daarbij wordt steeds
meer belang gehecht aan natuurvriendelijk beheer. De bloemrijke bermen
welke de laatste jaren steeds meer voorkomen, zijn hier goede
voorbeelden van. Een meer natuurvriendelijk beheer is inpasbaar binnen
veiligheidseisen en cultuurtechnische eisen, waaraan inrichting en
beheer dienen te voldoen. Ecologisch beheer hoeft ook niet, in
tegenstelling wat vaak wordt gedacht, duur te zijn: meerkosten door een
relatief duur beheer van maaien en afvoeren kunnen worden gecompenseerd
door elders een extensiever beheer te voeren. De keuze van plaatsen
waar een beheer van maaien en afvoeren wordt gekozen en van plaatsen
waar een extensiever beheer wordt voorgesteld, wordt bepaald door een
combinatie van ecologische potenties (ook ruigere plekken hebben
natuurwaarden) en verkeerstechnische, civieltechnische en budgettaire
randvoorwaarden.
De Groene Ruimte
brengt dit in de
praktijk door het uitvoeren van ondersteunend onderzoek (bijvoorbeeld
onderzoek naar verontreiniging van bermvegetaties). Tevens worden
beheerplannen opgesteld. Op basis van onder andere veldonderzoek worden
verschillende mogelijkheden voor het beheer aangegeven. Kennis van
planten en dieren wordt daarbij gekoppeld aan specifieke
randvoorwaarden (bijvoorbeeld schouwplicht). In overleg met de
beheerder wordt een keuze gemaakt. Middels beheerkaarten en tabellen
wordt dit zodanig uitgewerkt in concrete maatregelen per locatie, dat
dit direct als basis voor een bestek voor de uitvoerder is te
gebruiken.
U kunt natuurlijk altijd onze rapporten
bestellen.
Kies uit de volgende lijst:
Beleid,
inrichting en beheer

Onderzoek en inventarisatie
Bermgraskwaliteit
Beleid, inrichting en beheer
Natuur in de spoorberm
(ProRail 2009, 2010; 09017, 10121 lg/mb)
In 2009 en 2010 heeft De Groene Ruimte, in opdracht van ProRail, in
verschillende delen van het land inventarisaties uitgevoerd in de
spoorbermen langs in totaal meer dan 1.000 km spoor. De inventarisaties
vormen de basis voor de beheerplannen, die momenteel door De Groene
Ruimte worden opgesteld.
Met behulp van de beheerplannen wil ProRail het reguliere beheer mede
afstemmen op de bijzondere en beschermde planten- en diersoorten die
voorkomen in de spoorbermen, op plaatsen waar dat (technisch) mogelijk
is.
Daarnaast hebben de beheerplannen tot doel om knelpunten aan te pakken
en het spoor veiliger en minder storingsgevoelig te maken. Daarom is
tijdens de inventarisatie uitvoerig aandacht besteed aan het signaleren
van knelpunten, zoals bomen dicht bij het spoor en ontbrekende
zichtlijnen.
Door het beheer te richten op het voorkómen van knelpunten en
het behoud of versterken van natuurwaarden en beschermde soorten
‘snijdt het mes aan beide kanten’.
Het TV-programma Vroege Vogels heeft op 21 september 2010 een deel van de uitzending gewijd aan deze werkzaamheden van De Groene Ruimte voor ProRail.
Win-win
2: ecologische kwaliteiten langs het spoor
(ProRail, Regio
Noord-Oost, 2008; 08855 lg/mb)
Voor ProRail Regio
Noord-Oost
heeft De Groene Ruimte een onderzoek gedaan naar de huidige ecologische
kwaliteit van de spoorbermen en de mogelijkheden voor ecologische en
economische optimalisatie. De aanwezige flora is in een selectie van
spoorbermen geïnventariseerd. De selectie omvat een zo groot
mogelijk geografische spreiding en een zo groot mogelijke spreiding in
vegetatietypen. Het resultaat bestaat uit een overzicht per locatie met
het aanwezige vegetatietype, een voorstel voor het te voeren beheer,
eventuele knelpunten (bijvoorbeeld beplanting te dicht bij het spoor of
ontoegankelijkheid van de spoorberm door braam) en hoe deze opgelost
kunnen worden. Door het oplossen van knelpunten en het voeren van een
gericht beheer kan zowel economische (minder storingen, grotere
veiligheid) als ecologische winst worden behaald.

Win-win
1: heidenherstel langs het spoor
ProRail, Regio Randstad-Noord, 2008; 08929 pi/mb
In
2004 heeft de provincie Utrecht de Notitie Heideherstel opgesteld.
Daarmee wil de provincie een kader scheppen voor het uitbreiden en
verbinden van de bestaande heideterreinen in de provincie, met name op
de Utrechtse Heuvelrug. ProRail wil achterstallig onderhoud langs het
spoor aanpakken, door het rooien van de bomen die door hun standplaats
strijdig zijn met de technische eisen. Deze projecten zijn in het
project Heideherstel gecombineerd.
Tijdens
veldinventarisaties is bepaald welke maatregelen op welke plaats zijn
gewenst om de ecologische structuren voor de doelsoorten te verbeteren
en waarbij wordt voldaan aan de technische eisen van ProRail.
De
huidige situatie, het streefbeeld en de maatregelen zijn op (digitale)
kaarten uitgewerkt, die door de opdrachtgever op elk gewenst
detailniveau kunnen worden gereproduceerd ten behoeve van bijvoorbeeld
de uitvoering.
Door de projecten van de provincie Utrecht en ProRail te combineren is een
win-win-situatie gerealiseerd, zodat de veiligheid wordt gegarandeerd
en de natuurwaarden kunnen toenemen.

Inventarisatie
ecologische waarden spoorbermen regio Randstad-Zuid
ProRail, regio
Randstad-Zuid, 2007; 07765 pi-ts)
ProRail regio Randstad-Zuid voert inrichtings- en beheerwerkzaamheden
uit aan de spoorlijnen in een groot deel van Zuid-Holland. ProRail wil
graag weten met welke natuurwaarden rekening gehouden moet worden bij
de planning en de uitvoering van de inrichting en het beheer.
Als eerste stap is een overzicht
gemaakt van alle voor ProRail relevante wet- en regelgeving inzake
natuur (landelijk, provinciaal, regionaal en intern), Aan de hand van
literatuuronderzoek is vervolgens aangegeven welke beschermde
soorten waargenomen zijn of verwacht worden langs de spoorlijnen. De
beschermingsstatus is hierbij vermeld. Verder zijn de Natura-2000
gebieden, gebieden die onderdeel uitmaken van de PEHS en natuurgebieden
van terreinbeherende instanties op kaart en in de tekst weergegeven. Op
deze wijze heeft de beheerder een overzicht gekregen van de bijzondere
natuurwaarden en aandachtspunten, is inzichtelijk gemaakt wat de status
is en is aangegeven hoe hiermee omgegaan moet of kan worden. Als
overzichtelijk hulpmiddel bij werkzaamheden is een handige checklist
opgesteld.

Slootbeheer-
en onderhoudsplan gemeente Gilze en Rijen
(Gemeente Gilze en Rijen, 2006; 06633 pi-mb)
In 2003 heeft De Groene Ruimte voor de gemeente Gilze en Rijen een
bermbeheerplan opgesteld. In vervolg hierop is een beheerplan opgesteld
voor de sloten in de gemeente, dat aansluit op het bermbeheerplan. Het
doel van dit slootbeheer- en onderhoudsplan is om het beheer van alle,
bij de gemeente in beheer zijnde bermsloten af te stemmen op
watervoerende functie, financiële en technische haalbaarheid,
landschappelijke inpassing en ecologische waarden. Het slootbeheer- en
onderhoudsplan bevat een eenduidig meerjarenbeleid voor alle
bermsloten. Deze duidelijkheid kan bijdragen aan animo onder
agrariërs om het beheer van sloten op zich te nemen.
Advisering knelpunten
groenvoorzieningen langs het spoor
(ProRail, regio Randstad Noord, 2005;
05558pi-mb/mv)
De Groene Ruimte heeft in opdracht van ProRail een inventarisatie
uitgevoerd en een advies opgesteld voor een gerichte aanpak van de
ontstane knelpunten opgesteld. Per knelpunt is een concreet voorstel
uitgewerkt voor de oplossing van het knelpunt, zodat op alle punten
weer voldaan kan worden aan de wet- en regelgeving in zake zichtlijnen
en veiligheid. Verwijderen van valgevaarlijke bomen en zichtbeperkende
beplantingen en het ontoegankelijk maken van het baanvak voor
onbevoegden zijn enkele van de voorgestelde maatregelen.

Inventarisatie,
beheerplan en werkplan groenvoorzieningen Rijkswegen Directie
IJsselmeergebied
(Rijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied, 2002-2005, 02392pi-lg/mb,
02398pi-lg/mb, 03446pi-lg/mb, 05540pi-lg)
Ten behoeve van een bestendig beheer van de groenvoorzieningen is een
uitgebreide inventarisatie verricht van de vegetatie langs de
rijkswegen in de provincie Flevoland. Daarbij is een lokale typologie
ontwikkeld. Per type is een streefbeeld geformuleerd en een
streefbeheer vastgelegd.
In vervolg op deze inventarisatie is een integraal beheerplan gemaakt
voor alle groenvoorzieningen langs de rijkswegen. In dit plan is ook
een aantal herinrichtingsvoorstellen opgenomen. Het herinrichtings- en
beheerplan is uitgewerkt tot een concreet werkplan, waarin per
groenelement is aangegeven welke maatregelen op welk moment uitgevoerd
dienen te worden. Dit beheer is zowel in een overzichtstabel als op
detailbeheerkaarten vastgelegd. Het plan is op papier en in digitale
vorm (ArcGis) overgedragen aan de opdrachtgever.
Uiteraard hebben hierna ontwikkelingen plaatsgevonden, zoals
reconstructie van op- en afritten, waardoor voorgenomen
omvormingswerkzaamheden beter op een ander moment kunnen worden
uitgevoerd of niet meer van toepassing zijn. Hierdoor zijn er ook
beheerwerkzaamheden die nog niet uitgevoerd kunnen worden of juist een
langere periode bestrijken. De Groene Ruimte heeft in 2005 het
groenbeheerplan aangepast.

Berm- en slootbeheerplan
Rijssen-Holten
(Gemeente Rijssen-Holten, 2004-2005; 04494ph-mb/04499ph-mb)
De gemeente Rijssen - Holten beheert onder andere 158 ha wegberm en 67
ha bermsloten. Daarvoor wil de gemeente een gestructureerd maaibeheer
gaan voeren, waarbij de kansen voor het verhogen van de natuurwaarden
worden meegewogen. Als aanzet daarvoor heeft De Groene Ruimte in
opdracht van de gemeente een startnotitie opgesteld. Daarin worden
uitgangspunten ten aanzien van het gemeentelijk berm- en slootbeheer
vastgesteld en worden beleidskader en visie geschetst. Aangevuld met de
resultaten van een oriënterende veldverkenning is dat de basis
voor een
kansenkaart voor ecologisch berm- en slootbeheer. Deze kansen zijn
bepaald aan de hand van de combinatie van de verkeerskundige en
civieltechnische eisen aan de bermen en sloten, de technische
haalbaarheid van verschillende beheervormen en de aanwezige
begroeiingstypen. Als vervolg op deze startnotitie is in 2005 een
berm- en slootbeheerplan worden opgesteld.
Bermbeheerplan
(inclusief RAW-bestek) gemeente Gilze en Rijen
(Gemeente Gilze en Rijen, 2003; 03424pi-mb)
Om te komen tot een meer gestructureerd bermbeheer heeft De Groene
Ruimte een bermbeheerplan voor de gemeente Gilze en Rijen
opgesteld. Met inachtneming van zaken als verkeersveiligheid
en
inpassing in het landschap is een plan opgesteld waarmee de ecologische
waarden van de gemeentelijke bermen geoptimaliseerd kunnen worden. Op
basis van een veldinventarisatie is een lokale bermtypologie
ontwikkeld. Op basis van de vegetatie is per berm een beheer
voorgesteld, waarin rekening is gehouden met het terugdringen van
mogelijke probleemsoorten zoals Akkerdistel en Jacobskruiskruid. Het
beheer is op kaart en in overzicht vastgelegd. Ook is een RAW-bestek
voor het bermbeheer opgesteld.

Bermbeheerplan
gemeente Hoogeveen
(Gemeente Hoogeveen, 2003; 03419pi-mb)
Nadat eerder al voor het zuidelijke deel van de gemeente door De Groene
Ruimte een bermbeheerplan was opgesteld, is in 2003 ook voor het
noordelijke deel van de gemeente -dat na de gemeentelijke herindeling
bij de gemeente Hoogeveen is gekomen- een bermbeheerplan opgesteld. Ten
behoeve van dit plan is een inventarisatie uitgevoerd naar de vegetatie
en groeiplaatsomstandigheden in de 150 km wegberm. Op basis van een
aantal algemene uitgangspunten en specifieke gemeentelijke
uitgangspunten is per onderscheiden vegetatietype een adviesbeheer
vastgesteld, gericht op het optimaliseren van de ecologische waarden
binnen de vastgestelde randvoorwaarden. Dit beheer is zowel op kaart
als in beheeroverzichten opgenomen in het bermbeheerplan.

Beheerplan Spoorbermen Den Helder
- Heerhugowaard
(NS Railinfrabeheer Regio Randstad Noord, 2000; 00317-pi/jb/mb/pg)
NS Railinfrabeheer werkt vanaf 2000 met outputprocescontracten: de
aannemers die de spoorbanen onderhouden worden op basis van deze
contracten op resultaat afgerekend. Een belangrijk onderdeel van het
outputprocescontract wordt gevormd door een bermbeheerplan. Hierin
worden de huidige lokale situatie en de randvoorwaarden beschreven en
de eindbeelden vastgelegd. Locaties met bijzondere natuurwaarden worden
duidelijk in beeld gebracht. Als basis voor de resultaatgerichte aanpak
zijn beheerplannen opgesteld voor het traject Den Helder -
Heerhugowaard.

Bermbeheer Texel
(Gemeente Texel, 1995, 2000; 95163-pi/ms; 99281-pi/ms/lg/mb,
00314-pi/ms/lg)
In 1990 is door De Groene Ruimte een beheerplan opgesteld voor de
bermen en bermsloten van de gemeente Texel. In 1995 was er de behoefte
om na te gaan welke resultaten er met het gevoerde ecologische beheer
waren bereikt. Hiertoe is voor een aantal locaties geanalyseerd welke
veranderingen in de vegetatie zich hadden voorgedaan, in relatie tot
het gevoerde beheer. Op een aantal plaatsen bleek een ontwikkeling naar
een grotere natuurwaarde in gang gezet te zijn. Op andere locaties,
waar extensivering van het maaibeheer was voorgesteld en ook
doorgevoerd, bleken zoals in 1990 verwacht, de toen aanwezige
natuurwaarden gehandhaafd te zijn.
In de periode na 1995 heeft de gemeente het beheer van een groot aantal
wegen van andere wegbeheerders overgenomen. Daarom heeft de gemeente De
Groene Ruimte in 1999/2000 een nieuw beheerplan laten opstellen.
Daarbij zijn uitdrukkelijk ook de aanliggende perceelsranden opgenomen.
Via een veldinventarisatie is de vegetatie van de bermen, sloten,
tuinwallen en perceelsranden vastgelegd. In het beheerplan zijn naast
een beheervoorstel voor de bermen, sloten en tuinwallen, ook de
perceelsranden meegenomen. Door de perceelsranden bij het
natuurvriendelijk beheer te betrekken worden de ecologische waarden van
de aangrenzende sloten, tuinwallen en bermen verder versterkt en wordt
de functie als ecologische verbindingszone verbeterd.
Omdat de gemeente graag de agrariërs op vrijwillige basis wil
betrekken bij het beheer van de wegbermen, inclusief sloten, tuinwallen
en perceelsranden, is in elke fase van de opstelling van het beheerplan
overleg gevoerd in een projectgroep met meer dan 10 belanghebbende
organisaties, zoals agrarische belangengroepen,
natuurbeschermingsorganisaties en waterschappen. Het project is door
DLV adviesgroep NV aangewezen als onderdeel van hun project
"Stimulering Ecologisch Groen".
In een brochure over het beheerplan worden de belangrijkste conclusies
uit het plan inzichtelijk gemaakt voor met name de agrariërs
die
eigenaar zijn van de aanliggende perceelsranden en voor overige
burgers.

Beheerplan Spoorbermen Gebied
‘s-Hertogenbosch,
Roermond en Roosendaal
(NS Railinfrabeheer Regio Zuid, 1999; 99300-pi/jb/mbo/pg)
NS Railinfrabeheer werkt vanaf 2000 met outputprocescontracten: de
aannemers die de spoorbanen onderhouden worden op basis van deze
contracten op resultaat afgerekend. Een belangrijk onderdeel van het
outputprocescontract wordt gevormd door een bermbeheerplan. Hierin
worden de huidige lokale situatie en de randvoorwaarden beschreven en
de eindbeelden vastgelegd. Locaties met bijzondere natuurwaarden worden
duidelijk in beeld gebracht. Als basis voor de resultaatgerichte aanpak
zijn beheerplannen opgesteld voor de Gebieden
‘s-Hertogenbosch,
Roermond en Roosendaal.

Beheerplan Spoorbermen Gebied
Eindhoven: Pilot
Outputcontracten
(NS Railinfrabeheer Regio Zuid, 1998; 98249-pi/jb/ms)
NS Railinfrabeheer wil in de toekomst gaan werken met
outputprocescontracten: de aannemers worden op basis van deze
contracten op resultaat afgerekend. Een belangrijk onderdeel van het
outputprocescontract wordt gevormd door een bermbeheerplan. Hierin
worden de huidige lokale situatie en de randvoorwaarden beschreven en
de eindbeelden vastgelegd. Als Pilot voor de resultaatgerichte aanpak
is een beheerplan opgesteld voor het Gebied Eindhoven.

Berm- en
slootbeheerplan Deurne
(Gemeente Deurne, 1998; 97233-ph/ms/mb/rv)
De gemeente Deurne wil overgaan op een ecologisch beheer van bermen en
bermsloten. Hiertoe is door De Groene Ruimte een berm- en
slootbeheerplan opgesteld.
Op basis van de veldinventarisatie, randvoorwaarden als
verkeersveiligheid en praktische en maatschappelijke haalbaarheid zijn
drie scenario's opgesteld: "principe-beheer, "minimaal beheer" en
"gedifferentieerd beheer". Per scenario zijn de financiële
consequenties en de effecten op de natuurwaarde aangegeven. Vervolgens
is een keuze gemaakt uit de scenario's. Het gekozen scenario is
uitgewerkt in een onderhoudsplan. In het onderhoudsplan wordt het
beheer per berm en per sloot aangegeven. In het beheerplan wordt tevens
ingegaan op wettelijke verplichtingen van de gemeente als wegbeheerder
en op de verwerkingsmogelijkheden van vrijkomend maaisel en specie.

Berm- en
slootbeheerplan Bladel: uitbreiding en
evaluatie
(Gemeente Bladel, 1997/1998; 97229-pi/jb/mb)
In 1997 is de gemeente Bladel ontstaan uit de gemeenten "Bladel en
Netersel" en "Hoogeloon, Hapert en Casteren". In de voormalige gemeente
Bladel en Netersel wordt sinds 1992 gewerkt met een berm- en
slootbeheerplan dat door De Groene Ruimte is opgesteld. In de loop van
1997 en 1998 is/wordt een evaluatie van dit plan uitgevoerd. De
vegetatie-opnamen uit 1992 zijn herhaald en vergeleken met de gegevens
uit 1992. Zonodig worden de voorgestelde beheermaatregelen aangepast.
Tevens wordt het plan uitgebreid tot een totaalplan voor de nieuwe
gemeente Bladel. In dit plan worden de mogelijkheden voor maaien en
afvoeren zo goed mogelijk benut. De gemeente beschikt namelijk over
goede afzetkanalen voor bermgras.

Bermbeheer Dalfsen
(Gemeente Dalfsen, 1995-1998; 94138-jb, 95174-jb, 96198-jb/ll,
97228-jb/rv)
In 1987 is de gemeente begonnen met een geleidelijke introductie van
ecologisch bermbeheer. Als vervolg daarop heeft Dalfsen een plan laten
opstellen voor het beheer van wegbermen en bermsloten. Eerst is door De
Groene Ruimte voor een aantal "probleemlocaties" een beheeradvies
opgesteld. De locaties zijn door de gemeente geselecteerd. De adviezen
dienen, met een verhoging van de natuurwaarden als doel, als voorbeeld
voor de beheermogelijkheden op vergelijkbare plaatsen. Ook is door De
Groene Ruimte een lokale vegetatietypologie opgesteld, waarmee in een
periode van 3 jaar de hele gemeente is geïnventariseerd.
Daarbij
zijn kennis en ervaring op het gebied van berm- en slootbeheer
overgedragen aan medewerkers van de gemeente.
In 1997 zijn de inventarisaties afgerond en (in 1998) uitgewerkt tot
een berm- en slootbeheerplan. Een belangrijk uitgangspunt was dat, in
verband met de relatief hoge kosten, slechts een beperkt deel van de
bermen in aanmerking komt voor maaien en afvoeren.

Berm- en slootbeheerplan Gemeente
Hoogeveen
(Gemeente Hoogeveen, 1997; 97223-ms/lg)
De gemeente Hoogeveen beheert in het buitengebied ca. 200 km berm met
aanliggende bermsloten. Hiervoor is door De Groene Ruimte een
beheerplan opgesteld dat aansluit bij de ecologische doelstellingen van
de gemeente, zoals verwoord in het Landschapsbeleidsplan. Dit houdt in
dat in een deel van de bermen en sloten wordt gestreefd naar verhoging
van de ecologische waarde door een aangepast beheer, waarbij
verkeersveiligheid, praktische haalbaarheid en voorkómen van
overlast bij agrariërs randvoorwaarden zijn.

Pilotstudie
spoorbermen traject Eindhoven-Weert
(Holland Railconsult, 1997; 97219-pi/hj/mb/lg)
In opdracht van Holland Railconsult is als pilotstudie een beheerplan
opgesteld voor de spoorbermen van het traject Eindhoven-Weert. Na een
veldinventarisatie, die met name gericht was op het inventariseren van
vegetatiestructuren, is een eindconcept-beheerplan opgesteld volgens de
Methodiek Bermbeheerplan van de NS. Veel aandacht is besteed aan het
voldoen aan de veiligheidseisen. Tevens is veel aandacht aan een
praktische presentatie van het maatregelenplan. De algemene aspecten
van het beheer van de verschillende vegetatietypen zijn gepresenteerd
op afzonderlijke werkbladen.

Pilotstudie spoorbermen traject
Breda-Tilburg
(NS Railinfrabeheer regio Zuid, 1997; 97218-pi/hj/mb/lg)
Als voorbereiding op het opstellen van beheerplannen voor alle
spoorbermen in de Regio Zuid is een pilotstudie uitgevoerd voor het
traject Breda-Tilburg. Na een veldinventarisatie, die met name gericht
was op het inventariseren van vegetatiestructuren, is een praktisch
beheerplan opgesteld volgens de Methodiek Bermbeheerplan van de NS. In
het voorgestelde beheer is veel aandacht besteed aan het voldoen aan de
veiligheidseisen. Tevens is veel aandacht besteed aan een praktische
presentatie van het maatregelenplan.

Beheer
kruidachtige vegetaties provinciale wegen
Gelderland
(Provincie Gelderland, 1994, 1995, 1996, 1997; 94152-pi/ms,
95175-pi/ms, 95179-pi/ms, 96189-pi/ms, 97212-pi/ms)
De provincie Gelderland streeft naar een doelgerichte, planmatige
aanpak van het bermbeheer. Hiervoor is eind 1993 door de provincie
onder de naam "Beslismodel Wegbermbeheer" een project opgezet, dat zal
resulteren in een "Integraal beheerplan voor wegbermen". Daarin worden
het beheer van de kruidachtige vegetaties, het slootbeheer en het
beplantingenbeheer uitgewerkt. De Groene Ruimte heeft voor het
Beslismodel Wegbermbeheer de onderdelen "kruidachtige vegetaties" en
"Sloten" verzorgd.
In het "Beleidsdocument" zijn voor het beheer van de kruidachtige
vegetaties verschillende scenario's opgesteld (bijvoorbeeld "natuur
optimaal"). Per scenario zijn de gevolgen geschetst voor zaken als
natuurwaarden, beheermethoden, bedrijfsvoering, hoeveelheid en
kwaliteit en verwerkingsmogelijkheden van vrijkomend materiaal en
beheerkosten. Na afweging van de voor- en nadelen van de verschillende
scenario's is een keuze gemaakt: het "optimumscenario".
In het "Beheerplan" is het gekozen scenario uitgewerkt tot een concreet
beheer voor de kruidachtige vegetatie van alle provinciale wegbermen.
Tegelijkertijd is het slootbeheer uitgewerkt. De voor het beheerplan
benodigde gegevens zijn zowel uit diverse bronnen en bestanden als in
het veld en met behulp van video-opnamen verzameld. Het beheerplan
dient als basis voor het opstellen van bestekken voor het berm- en
slootbeheer.
In het eveneens opgestelde "Achtergrondsdocument" wordt een overzicht
gegeven van de regelgeving voor de verschillende
verwerkingsmogelijkheden van bermgras en bermgrond. De diverse
gegevens, zoals de maatvoering van alle provinciale wegbermen, zijn als
gegevensbestand op diskette geleverd.
In 1997 zijn de eerste ervaringen met de districten
geëvalueerd.
Waar nodig is het beheer aangepast of verfijnd. Tevens is een aantal
complexe situaties in het veld nader geïnventariseerd. Voor de
kruidige vegetaties en sloten op deze locaties zijn beheervoorstellen
gedaan. Daarbij is een directe koppeling gemaakt met het beheer van de
beplantingen.

Bermbeheerplannen Veldhoven
(Gemeente Veldhoven, 1995, 1996; 95184-ph/ms, 96207-ph/ms/mvt)
De gemeente Veldhoven wil het tot 1995 gevoerde berm- en slootbeheer
verfijnen. In 1995 is daarom als proefproject een beheerplan opgesteld
voor de gemeentelijke bermen en sloten ten zuiden van de A67. Een
aandachtspunt hierbij was het inpassen in landschaps- en natuurwaarden
van het stroomgebied van de Dommel. De voorgestelde maatregelen hebben
verhoging van natuurwaarden tot doel. Dit wordt verwezenlijkt via een
differentiatie van het beheer, waaronder extensivering. Ook voor een
aantal sloten wordt een extensiever beheer voorgesteld, terwijl de
waterafvoerende functie behouden blijft. Het voorgestelde ecologische
beheer is niet duurder dan het tot op dat moment gevoerde beheer,
waarschijnlijk zelfs goedkoper. In 1996 heeft De Groene Ruimte ook voor
het gedeelte van de gemeente ten noorden van de A67 een berm- en
slootbeheerplan opgesteld.

Bermbeheerplan Vorden
(Gemeente Vorden, 1996; 96194-ph/lg)
In 1995 is door De Groene Ruimte het Landschapsbeleidsplan voor Vorden
opgesteld. Mede als vervolg daarop wil Vorden het beheer van bermen
optimaliseren. Hiertoe heeft De Groene Ruimte een onderzoek gedaan
waarbij alle wegbermen in het buitengebied van de gemeente Vorden
bezocht zijn. Aan de hand van dit veldonderzoek is een selectie gemaakt
van ecologisch kansrijke bermen. Criteria waren onder andere de
bermbreedte, en de actuele en de potentiele natuurwaarden. Voor de
geselecteerde bermen is een beheeradvies ter verhoging van de
natuurwaarden opgesteld waarbij verkeersveiligheid, praktische
haalbaarheid en voorkómen van overlast bij
agrariërs
randvoorwaarden zijn.

Beheerplannen Spoorbermen Randstad
(NS Railinfrabeheer Regio Randstad, 1995,1996; 95167-pi/jb/mb/jh, 95183-pi/jb/mb)
De NS willen voor alle spoorbermen beheerplannen laten opstellen,
waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor ontwikkeling
van natuurwaarden. In 1995 is een pilotstudie uitgevoerd in de omgeving
van Weesp. De uitkomsten hebben geleid tot een uniforme opzet van
beheerplannen voor de hele regio.
Als vervolg op de pilot-studie zijn in de loop van 1995 en 1996
beheerplannen opgesteld voor de spoorbermen in de provincie
Noord-Holland. Tijdens het veldwerk zijn de bermen en sloten
geïnventariseerd op natuurwaarden en begroeiingstypen. Tevens
zijn
knelpunten ten aanzien van technische eisen en verkeersveiligheid
gesignaleerd. Per contractgebied (7 in totaal) is een rapport
opgesteld. In de basisinformatie is de wet- en regelgeving uitgewerkt,
en zijn de belangrijkste locaties voor instandhouding en ontwikkeling
van natuurwaarden in beeld gebracht. In gedetailleerde werkplannen zijn
de cyclische en eenmalige beheermaatregelen van kilometer tot kilometer
uitgewerkt. Duidelijk is aangegeven welke doeltypen en welke bijzondere
doelen worden nagestreefd. De werkplannen dienen als bestek voor de
aannemers.

Berm- en
slootbeheerplan Etten-Leur
(Gemeente Etten-Leur, 1995; 95180-jb/rv/ll)
De gemeente Etten-Leur beheert in het buitengebied 240 km berm met
aangrenzende sloten. Hiervoor is een beheerplan opgesteld dat zowel
rekening houdt met agrarische belangen als met mogelijkheden voor
natuurontwikkeling. De financiële consequenties van het plan
zijn
uitgewerkt. Reacties op de inspraakprocedure zijn
geïnventariseerd
en in het definitieve beheerplan verwerkt.

Inrichtings- en beheerplanning
bermen en oevers
Voorschoten
(Gemeente Voorschoten, 1995; 95166-pi/ms)
De gemeente Voorschoten beheert een vrij groot aantal bermen, oevers en
gazons. Deze objecten vormen samen vaak langgerekte groenstroken binnen
de bebouwde kom. De natuurwaarden variëren. Als onderdeel van
een
(te ontwikkelen) samenhangende structuur, heeft De Groene Ruimte een
beheer- en inrichtingsplan opgesteld voor de bermen, oevers en een
aantal gazons binnen de gemeente, met als doel verhoging van de
natuurwaarden. Voor elk object is, na een veldbezoek, een
beheervoorstel gedaan. Maaitijdstip en frequentie zijn afgestemd op de
potenties en de ligging van het object. Voor enkele oevers zijn tevens
herinrichtingsmaatregelen voorgesteld.

Berm- en slootbeheerplan
Heerenveen
(Gemeente Heerenveen, 1994; 94142-pi/ms/mb)
Voor de gemeente Heerenveen is een bermbeheerplan op ecologische
grondslag opgesteld. De gegevens zijn onder andere met het programma
EcoBerm verwerkt. Daardoor is het mogelijk om op elk gewenst moment
actuele overzichten en werkplannen uit te draaien. De beheerkaarten
zijn geautomatiseerd getekend en kunnen eenvoudig worden aangepast.

Bermbeheerplan Waterschap
Westfriesland
(Waterschap Westfriesland, 1994; 93133-pi/ms/mb)
Voor het Waterschap Westfriesland is een ecologisch beheerplan voor ca.
800 km wegberm opgesteld. De beheervoorstellen zijn gericht op een
verhoging van natuur- en landschapswaarden zonder dat
agrariërs
hinder of overlast hoeven te verwachten of te vrezen. Het plan voldoet
uiteraard ook aan randvoorwaarden vanuit verkeerstechnische en
civieltechnische functies.

Berm- en slootbeheerplan Bunnik
(Gemeente Bunnik, 1994; 93128-pi/jb)
Voor de gemeente Bunnik is een ecologisch beheerplan voor ca. 60 km
wegberm en ca. 30 km bermsloot opgesteld. De optimalisering van natuur-
en landschapswaarden dient plaats te vinden binnen verkeers- en
civieltechnische en financiële randvoorwaarden. Het plan moet
tevens als bestek voor aannemers dienen.

Berm- en slootbeheerplan Alphen
en Riel
(Gemeente Alphen en Riel, 1993; 93126-pi/ms)
Alphen en Riel wil op kleine schaal een begin maken met een ecologisch
berm- en slootbeheer. Daartoe is voor een aantal door de gemeente
uitgezochte bermen een ecologisch beheerplan opgesteld. Daarbij is ook
ingegaan op de manier waarop het ecologisch beheer zou kunnen worden
uitgebouwd. In dat kader zijn tevens enkele voorlichtingsbijeenkomsten
gehouden.

Berm- en slootbeheerplan Beesel
(Gemeente Beesel, 1993; 93125-pi/jz)
Beesel voert sinds 1986 op basis van een door De Groene Ruimte
opgesteld beheerplan voor een deel van de bermen een ecologisch beheer.
Om voor deze en een aantal andere bermen en sloten het ecologisch
beheer verder te verbeteren is in 1993 een 2e bermbeheerplan opgesteld.
Het te voeren beheer is in RAW-bestekken vastgelegd. Tevens is in het
kader van het bermbeheerplan een aantal voorlichtingsavonden verzorgd.

Bermbeheerplan Rheden
(Gemeente Rheden, 1993; 93115-ph/ms)
De gemeente Rheden ligt op de overgang van Veluwemassief naar
IJsselvallei. Het bermbeheer bestaat al jaren lang uit maaien en
afvoeren. Onduidelijk is in hoeverre hiermee de ecologische potenties
optimaal worden benut. Om het bermbeheer te optimaliseren is een
bermbeheerplan opgesteld. Op basis van een inventarisatie is een meer
gedifferentieerd bermbeheer voorgesteld, waarin zowel aandacht was voor
kosten en verkeersveiligheid als voor botanische en faunistische
waarden. Het verbeterde ecologische beheer kan, ondanks hogere
transport- en verwerkingskosten, naar verwachting binnen het bestaande
budget worden uitgevoerd.

Berm- en slootbeheerplan
Tietjerksteradeel
(Gemeente Tietjerksteradeel, 1992; 92107-pi/jz)
De gemeente Tietjerksteradeel beheert ca. 240 km weg. Een klein deel
van de bermen is verpacht. Langs vrijwel alle bermen zijn bermsloten
aanwezig. Om het berm- en slootbeheer te kunnen optimaliseren ten
aanzien van de natuurwaarden is een beheerplan opgesteld. Er bleek een
grote ecologische meerwaarde te ontwikkelen te zijn. Het daarvoor
benodigde beheer zou echter naar verwachting ook duurder uitvallen dan
het tot dat moment gevoerde beheer. In het plan is een gefaseerde
invoering van het aangepaste beheer voorgesteld, waarbij het ecologisch
beheer het eerst in de meest kansrijke bermen zou kunnen worden
ingevoerd.

Berm-
en
slootbeheerplan Smallingerland
(Gemeente Smallingerland, 1992; 92105-pi/jz)
De gemeente Smallingerland beheert ca. 175 km weg. Een deel van de
wegbermen is verpacht. Langs vrijwel alle bermen zijn bermsloten
aanwezig. Er is een berm- en slootbeheerplan opgesteld om het beheer te
optimaliseren ten aanzien van de natuurwaarden, in combinatie met een
optimalisering van inzet van mensen en machines.

Bermbeheerplan
West Maas en Waal
(Gemeente West Maas en Waal, 1992; 92103-ph/hj)
De gemeente West Maas en Waal beheert ca. 270 km berm, verdeeld over
drie rayons. Het huidige beheer bestaat uit klepelen langs de
verharding en niets doen of één keer klepelen van
de rest
van de berm. In een groot deel van bermen staan bomen. Er is, binnen
verkeerstechnische en budgettaire randvoorwaarden, een bermbeheerplan
opgesteld dat gericht is op verhoging van de natuurwaarden van de
bermen. Daarbij heeft afstemming plaatsgevonden op het gemeentelijke
landschapsbeleidsplan.

Berm-
en
slootbeheerplan Arcen en Velden
(Gemeente Arcen en Velden, 1992; 92099-pi/ms)
De gemeente Arcen en Velden voerde tot 1992 een bermbeheer van
jaarlijks 2 keer klepelen. Vanuit een groeiende belangstelling voor
optimalisering van het beheer ten aanzien van flora en fauna is
opdracht gegeven tot het opstellen van een ecologisch bermbeheerplan.
In het plan staat het ontwikkelen van de natuur- en landschapswaarden
centraal. De verkeers- en civieltechnische functies zijn gewaarborgd.
Het te voeren beheer blijft daarnaast ook financieel en praktisch
haalbaar.

Berm- en slootbeheerplan
Meerlo-Wanssum
(Gemeente Meerlo-Wanssum, 1992; 92098-jb)
Voor de gemeente Meerlo-Wanssum is een berm- en slootbeheerplan
opgesteld voor ca. 80 km wegberm met 25 km aanliggende bermsloot. Op
basis van een veldinventarisatie is per berm en sloot een beheer
aangegeven met als doel om de natuur- en landschapswaarden in deze
lintvormige elementen te verhogen.

Bermbeheerplan Eibergen
(Gemeente Eibergen, 1992; 92096-pi/ms)
De gemeente Eibergen wil van een klepelbeheer naar een
natuurvriendelijk beheer overstappen voor de 600 km wegberm die zij
beheert. Het bermbeheerplan is daarom gericht op het verhogen van de
natuurwaarden van de bermen. Het plan betreft zowel de kruidige
vegetatie als de houtige begroeiing. Tevens wordt bijzondere aandacht
besteed aan de huidige knelpunten: kosten beheer, overlast van bepaalde
onkruiden en acceptatieproblemen bij de (agrarische) bevolking. Het
ecologische beheer zal gefaseerd worden ingevoerd, in eerste instantie
in de bermen met de grootste potenties.

Berm- en slootbeheerplan: opzet en
voorbeelden
(De Groene Ruimte, 1992)
In deze in eigen beheer uitgegeven notitie wordt ingegaan op de
verschillende onderwerpen die in een berm- en slootbeheerplan aan de
orde kunnen komen. Dit wordt geïllustreerd met
praktijkvoorbeelden. Uitgangspunt is dat een berm- en slootbeheerplan
een voor de praktijk hanteerbaar hulpmiddel moet zijn. Daarbij wordt
benadrukt dat een berm- en slootbeheerplan maatwerk is, afgestemd op de
specifieke wensen en mogelijkheden van de locatie, maar ook van de
beheerder.

Onderzoek en inventarisatie
Evaluatie
bermbeheer: het juiste beheer in de juiste berm
(gemeente
Heerenveen, gemeente Hoogeveen, 2008; 08872, 08850 lg/mb/kvr)
Door De Groene
Ruimte zijn in het
verleden voor veel gemeentes bermbeheerplannen opgesteld. Het doel was
om de natuurwaarden in de bermen te verhogen binnen de randvoorwaarden
van de primaire (verkeerskundige) functie. De Groene Ruimte heeft in
2008 het bermbeheer van de gemeentes Heerenveen en Hoogeveen
geëvalueerd. In beide gemeentes is inmiddels ruim 10 jaar een
ecologisch bermbeheer gevoerd. Uit de evaluatie blijkt dat in
Heerenveen in bijna driekwart van de bermen de ecologische waarden
groter zijn geworden of gelijk zijn gebleven. In Hoogeveen geldt dit
voor negentig procent van de bermen.
Voor alle locaties
is gekeken of
en welke aanpassing van beheer nodig is. In veel gevallen kan het
huidige beheer gehandhaafd worden, in enkele gevallen dient het beheer
geïntensiveerd of geëxtensiveerd te worden en in
enkele
andere gevallen blijkt het niet zinvol (meer) om te investeren in een
beheer van maaien en afvoeren, maar kan overgegaan worden op een puur
bedrijfsmatig (goedkoper) beheer. De evaluatie leidt tot zo een verdere
optimalisatie van het bermbeheer.

Evaluatie bermbeheer
gemeente Gouda
(gemeente Gouda, 2005; 05510 pi-mb)
De gemeente Gouda heeft al meer dan 25 jaar een beheer van maaien en
afvoeren, maar nog nooit waren de effecten van het beheer goed
onderzocht. De Groene Ruimte heeft daarom een vergelijking gedaan
tussen de bermen in de gemeente Gouda in vergelijking met die van
omliggende gemeenten, waar het beheer nog bestaat uit traditioneel
klepelen.
De conclusies waren heel duidelijk. De bermen in de gemeente Gouda zijn
aanzienlijk minder voedselrijk en daardoor komen er meer soorten voor
dan in de bermen in de regio; dit zijn ook meer zeldzame soorten.
Inventarisatie distels
en Jakobskruiskruid langs de rijkswegen in Friesland
(Aannemersbedrijf Krans, 2005; 05526pi-mb)
In de provincie Friesland geldt nog een distelverbod. De aannemer die
voor Rijkswaterstaat de bermen van de snelwegen in de provincie
Friesland beheerd, wil hierop vooruitlopen en een plan maken waarmee
vooraf een maaischema kan worden opgesteld, in plaats van een ad-hoc
beheer wanneer de distels overlast gaan veroorzaken. Daarom heeft De
Groene Ruimte een inventarisatie uitgevoerd naar de groeiplaatsen van
de probleemsoorten in Friesland.
Inventarisatie
en
beheeradvies Randmeerdijken
(Waterschap vallei en Eem, 2004; 04476-ph/mb)
In opdracht van Waterschap Vallei en Eem is in 2004 een deel van de
oude zeedijk langs de Randmeren geïnventariseerd. Het doel van
de
inventarisatie was (1) om een beter beeld te krijgen van de
veronderstelde verruiging van de dijkvegetatie en (2) het geven van
beheersuggesties.
Er zijn 40 vegetatie-opnamen gemaakt. 26 opnamen zijn gekarakteriseerd
als grasland, 11 als ruig grasland, 2 als nat grasland en 1 als ruigte.
Er zijn 100 soorten aangetroffen. Er zijn geen zoutrelicten
aangetroffen tijdens de inventarisatie. Wel zijn er op het vlakke deel
onderaan de dijk bij de Laak soorten gevonden uit de associatie van
Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia, een vegetatietype van
primaire en secundaire duinvalleien (Schaminée et al, 1998).
Geconcludeerd werd dat het overgrote deel van de dijk uit een
Glanshaverhooiland (Arrhenatherion) bestaat, en dat op veel plaatsen de
vegetatie sterk vergrast en tamelijk ruig is.
Voorgesteld is om het huidige beheer voor een aantal jaren te
continueren en de ontwikkeling twee-jaarlijks te monitoren. Als de
verruiging zich doorzet, kan gekozen worden voor òf het
verhogen
van de begrazingsdruk òf het vervangen van de
voorjaarsbegrazing
door een tweede maaibeurt, zodat een beheer van tweemaal maaien en
afvoeren en nabeweiden ontstaat.

Evaluatie Bermbeheer Waterschap
Westfriesland
(Waterschap Westfriesland, 2000, 00320-pi/mb)
In 1993 heeft het Waterschap Westfriesland een bermbeheerplan
laten opstellen, dat erop was gericht om de natuurwaarden van de bermen
te optimaliseren binnen de randvoorwaarden van de primaire functies.
Dit plan is in een deel van het onderzoeksgebied uitgevoerd; om inzicht
te krijgen in het resultaat van dit beheer is in 2000 een evaluerend
onderzoek uitgevoerd. Daaruit bleek dat er een duidelijk verschil was
te zien tussen gemaaide (en geruimde) bermen en geklepelde bermen:
gemaaide bermen waren minder voedselrijk, minder ruig, bloem- en
soortenrijker en herbergden meer afwisselende vegetaties met meer
aandachtssoorten.
Ten behoeve van de monitoring van de erosiebestendigheid is de
nulsituatie vastgelegd in een aantal kades, welke ook in het
verschralingsbeheer zullen worden opgenomen. Bij het vastleggen van de
nulsituatie is niet alleen vegetatie bovengronds betrokken, maar zijn
ook de wortellengte en het wortelvolume in de bovenste 50 cm
vastgelegd; daarmee is het mogelijk geworden om over een aantal jaren
de ontwikkelingen van de wortels (en daarmee de stabiliteit van de
kade) te relateren aan het gevoerde beheer.

Evaluatie bermbeheer provincie
Gelderland
(Provincie Gelderland, 2000, 00312)
In 1996 en 1997 heeft De Groene Ruimte voor de Provincie Gelderland een
bermbeheerplan gemaakt. In dit plan is onder andere gebruik gemaakt van
1524 vegetatie-opnamen die de provincie in 1994 heeft laten maken. In
dit onderzoek zijn de resultaten van het gevoerde beheer onderzocht. Op
120 locaties zijn de opnamen uit 1994 herhaald. Door de veranderingen
in de vegetatie te relateren aan het beheer zijn de resultaten bekeken.
Het blijkt dat in alle bermen de natuurwaarde gemiddeld achteruit is
gegaan, maar bij klepelbeheer is de achteruitgang van natuurwaarde drie
keer zo hoog. Indien het maaisel wordt afgevoerd, blijft de
natuurwaarde min of meer gelijk of daalt slechts licht. Verder zijn
vooral schrale vegetaties met een hoge natuurwaarde op een aantal
plaatsen verdwenen en nergens ontstaan. Een aantal originele en
goedkopere voorgestelde beheervormen, zoals ‘niets doen',
‘eens in de
vijf jaar maaien' en ‘ maaisel laten liggen' bleken op de
geselecteerde
locaties niet te zijn uitgevoerd.

Plan van aanpak bestandsbeheer
bermen provincie
Gelderland
(Provincie Gelderland, 2000; 99289-pi/ms)
Het maaibeheer van de kruidachtige vegetatie van de provinciale bermen
en sloten is vastgelegd in gegevensbestanden. De Provincie Gelderland
overweegt om het beheer van deze bestanden uit te besteden. Allereerst
dienen de bestanden geoptimaliseerd te worden. Op dit moment worden op
verschillende plaatsen verschillende bestanden gehanteerd, waarin onder
meer de oppervlakten van de te beheren bermen niet overeenkomen. Met
name ten behoeve van het maken van bestekken is het van belang dat deze
gegevens eenduidig en concreet in één set van
gegevensbestanden vastgelegd worden.
Voor het vaststellen van een optimale bestandsstructuur zijn de wensen
van alle gebruikers van de bestanden geïnventariseerd. In
overleg
zijn conrete afspraken gemaakt over de structuur van de bestanden en
welke gegevens er in welke vorm in opgenomen worden.
Voor het vullen van de inhoud van de bestanden is een plan van aanpak
opgesteld. De uitvoering van dit plan van aanpak zal vooral bestaan uit
het vastleggen van correcte oppervlaktegegevens en het vertalen van
gegevens naar bermtrajecten van 100 m lengte.

Evaluatie en optimaliseren
bermbeheer Renkum
(Gemeente Renkum, 1998, 1999; 98245-ph/mb, 99291-ph/jb)
De gemeente Renkum beheerde in de periode 1993-1998 39 km van haar
bermen op ecologische wijze, dat wil zeggen middels een beheer van
jaarlijks 1 maal maaien met afvoer van het maaisel. In 1998 zijn de
ecologische effecten van dit beheer op 19 locaties door De Groene
Ruimte geëvalueerd. De conclusie was dat het gevoerde beheer
voor
een aantal locaties ecologisch gezien al gunstig is. Voor een aantal
andere locaties werd echter geconcludeerd dat het gevoerde, relatief
dure, beheer van maaien met afvoeren met andere beheervormen weinig of
geen extra natuurwaarden op leverde. Op sommige plaatsen omdat het
beheer daarvoor nog te extensief was, op andere plaatsen omdat, gelet
op de omstandigheden, ook met een intensiever beheer van maaien en
afvoeren weinig verhoging van natuurwaarden te verwachten zou zijn.
Als vervolg op deze evaluatie zijn in 1999 alle bermen in het veld
bezocht. Per berm werd de vegetatie beoordeeld op met name ecologische
ontwikkeling bij verschillende mogelijke beheervormen (niets doen,
klepelen, 1 dan wel 2 maal maaien met afvoer). Ook werd de technische
geschiktheid voor maaien en afvoeren beoordeeld. Op basis van deze
gegevens werd voorgesteld om een verschralingsbeheer van 1 of 2 maal
per jaar maaien en afvoeren alleen toe te passen in ecologisch
kansrijke bermen (bermen waar behoud of ontwikkeling van floristische
waarden door verschraling realistisch werd geacht). Voor de andere
bermen werd in principe een beheer van klepelen voorgesteld. Voor
bermen waar de gewasproductie zo laag is dat jaarlijks maaien met
afvoeren of klepelen niet zinvol is (zoals zwaar beschaduwde bermen op
schrale grond in bosgebieden) werd voorgesteld het beheer te beperken
tot het 1 of 2 maal per jaar te klepelen van de randstrook om zo
aanliggende (fiets)paden en wegen vrij te houden van overhangend gewas.
Per saldo bleek zo een besparing op maai- en afvoerkosten verwacht te
mogen worden van ca. 10%, terwijl de ecologische potenties van de
betrokken bermen beter worden benut.

Inventarisatie permanente
kwadraten Groningen
(RWS Directie Noord-Nederland, Dienstkring Groningen; 1998; 98259;
ph-rv/mb)
In opdracht van Rijkswaterstaat Directie Noord-Nederland, dienstkring
Groningen, heeft De Groene Ruimte de resultaten geëvalueerd
van
het sinds 1993 gevoerde ecologische bermbeheer langs de Groningse
Rijkswegen. Het in de periode 1993 - 1998 gevoerde beheer was gebaseerd
op inventarisatie en advisering door het IKC-NBLF.
Voor de evaluatie zijn de in 1993 gemaakte opnamen volgens dezelfde
methode en op dezelfde locaties herhaald. Door analyse van de aldus
verkregen ontwikkelingsreeksen is, per weg, een ecologische tendens
aangegeven. De resultaten van het ecologische beheer bleken per weg te
verschillen: soms was er sprake van een (lichte) vooruitgang, soms
juist van een (lichte) achteruitgang. In 1998 werden meer soorten
aangetroffen dan in 1993. Op basis van deze conclusies werd per weg een
nieuw beheervoorstel gedaan. Voor het grootste deel was dat voortzeting
van het huidige beheer om de vegetaties de kans te geven zich verder
gunstig te ontwikkelen. Voor een beperkt aantal locaties werd een
intensiever maaibeheer voorgesteld omdat daarmee meer recht werd gedaan
aan de potenties. Wel werd geadviseerd om over enkele jaren opnieuw te
evalueren: voor weggedeelten waar dan (nog) geen duidelijke verbetering
zichtbaar is, kan overwogen worden om over te gaan op een klepelbeheer.
Tevens werden enkele methodische aanbevelingen gedaan.

Monitoring bermbeheer Laarbeek
(Gemeente Laarbeek, 1997; 97230-pi/jb)
De gemeente Laarbeek voert op kansrijke bermen een beheer van maaien en
afvoeren. Om het resultaat van dit beheer te kunnen meten, zijn ca. 15
proefbermen geselecteerd. Van deze bermen is in 1997 de
uitgangssituatie vastgelegd door middel van vegetatie-opnamen. Door
periodiek herhalen van deze opnamen kan het beheereffect worden bepaald
en zo nodig worden bijgesteld.

Evaluatie bermbeheer
Opsterland
(Gemeente Opsterland, 1997; 97227-ms/lg)
In 1991 is door De Groene Ruimte in opdracht van de gemeente Opsterland
een bermbeheerplan opgesteld met als doel verhoging van natuurwaarden.
Met ingang van 1992 is het beheer conform dit plan uitgevoerd. Om de
eerste resultaten van dit beheer te kunnen toetsen is in 1997 op basis
van een her-inventarisatie van 22 opnamelocaties die bezocht zijn, het
gevoerde beheer geëvalueerd. Dit heeft per vegetatietype
geresulteerd in aanbevelingen het gevoerde beheer voort te zetten dan
wel aan te passen. Tevens is een aantal bermen bezocht waaraan een
houtige begroeiing grenst en waar het streefbeeld wordt gevormd door
een gradiënt van grasland via ruigte naar struiken met bomen.
Voor
deze locaties is de uitgangssituatie beschreven en zijn
beheervoorstellen opgesteld.

Evaluatie bermbeheer
Tietjerksteradeel
(Gemeente Tietjerksteradeel, 1997; 97222-pi/hj/mb)
De bermlocaties waar in 1992 ten behoeve van het berm- en
slootbeheerplan vegetatie-opnamen zijn gemaakt, zijn in 1997 opnieuw
geïnventariseerd. Op de meeste locaties bleek de
soortenrijkdom te
zijn toegenomen. In enkele van de te verschralen bermen waren echter
nog weinig ontwikkelingen in de gewenste richting te bespeuren. Voor
enkele bermen is dat verklaard uit het feit dat deze bermen bij aanvang
matig voedselrijk waren, zodat verdere verschraling wat meer tijd kost.
Voor de resterende bermen is geadviseerd na te gaan of er (gewijzigde?)
omstandigheden in het veld aanwijsbaar zijn die de nagestreefde
verschraling minder haalbaar maken; in dat geval dient een ander doel
te worden nagestreefd.

(Evaluatie) bermbeheer Zuidwolde
(Gemeente Zuidwolde, 1993, 1997; 93112-pi/jb, 97221-ms/lg)
In 1993 is de gemeente Zuidwolde op experimentele basis begonnen met
een beheer van maaien en afvoeren. De gemeente voert dit beheer uit in
een gedeelte van haar bermen langs ongeveer 10 km weg en fietspad. Om
het effect van dit beheer te kunnen vaststellen is in 1993 door De
Groene Ruimte de nul-situatie vastgelegd aan de hand van een aantal
vegetatie-opnamen in deze bermen. In 1997 zijn alle vegetatie-opnamen
herhaald ten einde inzicht te krijgen in de resultaten van het sinds
1993 gevoerde beheer. Op basis van beide inventarisaties heeft een
evaluatie plaatsgevonden. Dit heeft voor de bermen waar sinds 1993 een
beheer van maaien en afvoeren is gevoerd geresulteerd in een, op de
nieuwe situatie toegespitst, beheeradvies per berm.

Uitgangssituatie wegbermen Lopik
(Gemeente Lopik, 1996; 96195-pi/mb)
De gemeente Lopik is in 1996 langs twee wegen in haar gemeente gestart
met een verschralingsbeheer, met als doel de natuurwaarden te verhogen.
Om over enkele jaren vast te kunnen stellen of de gewenste effecten
zijn bereikt (of bereikt zullen worden), is in 1996 de 'nul-situatie',
de uitgangssituatie, vastgelegd.

Inventarisatie
en evaluatie bermen Herenweg
's-Graveland
(Gemeente 's-Graveland, 1992, 1995; 92102-ph/hj, 95172-ph/mb)
De gemeente 's-Graveland wil op termijn binnen en buiten de bebouwde
kom komen tot een ecologisch groenbeheer. Er is daarbij voor een
geleidelijke aanpak gekozen. Als eerste aanzet tot het nagestreefde
ecologische beheer zijn de bermen langs de Herenweg floristisch
geïnventariseerd.
In 1995 zijn de bermen van de Herenweg opnieuw
geïnventariseerd en
vergeleken met de uitgangssituatie van 1992. Het gevoerde ecologische
beheer blijkt al na 3 jaar tot een hoger soortenaantal te hebben
geleid. Ook de veranderingen in de soortensamenstelling zijn positief.
Het aandeel van ecologisch en visueel aantrekkelijke soorten als Gele
morgenster, Knoopkruid, Kleine klaver en (langs de bermsloot)
Kattenstaart is toegenomen. Gelet op de locale situatie kunnen de
natuurwaarden met een meer gedifferentieerd beheer verder worden
verhoogd.

Evaluatie Bermbeheer gemeente
Texel
(Gemeente Texel, 1995; 95163-pi/ms)
In 1990 is door De Groene Ruimte een beheerplan opgesteld voor de
bermen en bermsloten van de gemeente Texel. Vijf jaar later was er de
behoefte om na te gaan welke resultaten er met het gevoerde ecologische
beheer waren bereikt. Hiertoe is voor een aantal locaties geanalyseerd
welke veranderingen in de vegetatie zich hadden voorgedaan, in relatie
tot het gevoerde beheer.
Op een aantal plaatsen bleek een ontwikkeling naar een grotere
natuurwaarde in gang gezet te zijn. Op andere locaties, waar
extensivering van het maaibeheer was voorgesteld en ook doorgevoerd,
bleken zoals in 1990 verwacht, de toen aanwezige natuurwaarden
gehandhaafd te zijn.

Verwerking inventarisatiegegevens
bermflora Limburg
(Provincie Limburg, 1995; 94158-pi/hj)
In 1992 heeft de provincie Limburg de wegbermen van nieuw verworven
wegen laten inventariseren. De toen verzamelde gegevens zijn verwerkt
en geïnterpreteerd, en ingepast in de in 1989 door De Groene
Ruimte opgestelde bermtypologie. Tevens zijn de vegetatieveranderingen
geanalyseerd op een aantal van de zowel in 1987 als 1992
geïnventariseerde locaties.

Evaluatie verschralingsbeheer
Graafseweg
(Gemeente Mill, 1994; 94149-pi/hj)
De gemeente Mill voert langs de Graafseweg sinds enkele jaren een
verschralingsbeheer van maaien en afvoeren. De indruk bestond dat deze
bermen bloemrijker en minder productief zijn geworden. Vergeleken met
enkele referentiebermen die nog geklepeld worden, bleken de bermen
langs de Graafseweg inderdaad soortenrijker en minder productief te
zijn. De resultaten moeten bijdragen aan de verdere besluitvorming ten
aanzien van het bermbeheer in Mill.

Evaluatie bermbeheer Flevoland
(Provincie Flevoland, 1993; 93127-pi/jz)
In 1987 en 1988 is door De Groene Ruimte een inventarisatie van de
bermen uitgevoerd en is een bermbeheerplan opgesteld. Teneinde inzicht
te krijgen in de resultaten van het sindsdien gevoerde ecologisch
bermbeheer en in verschillen tussen verpachte en niet verpachte bermen,
zijn de bermen in 1993 opnieuw geïnventariseerd. Op basis van
de
beide inventarisaties heeft een evaluatie plaatsgevonden en is het
ecologisch bermbeheer waar nodig en zinvol aan de nieuwe situatie
aangepast. Dit heeft geresulteerd in een nieuw bermbeheerplan voor de
komende 5 jaar.
Evaluatie
verschralingsbeheer bermen
(Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier en gemeente Anna
Paulowna, 1993; 93119-pi/jb)
Het waterschap De Aangedijkte Landen en Wieringen heeft sinds 1990 in
enkele bermen een verschralend beheer gevoerd. Inmiddels zijn deze
bermen overgegaan naar het Hoogheemraadschap Noordhollands
Noorderkwartier en de gemeente Anna Paulowna. In opdracht van de beide
nieuwe beheerders is een evaluatie van het verschralingsbeheer
uitgevoerd. Het gevoerde beheer bleek in de meeste situaties een aanzet
te zijn geweest tot een grotere soortenrijkdom.

Evaluatie vegetatie-ontwikkeling
provinciale
wegbermen Zeeland
(Provincie Zeeland, 1993; 92110-pi/ms)
De provincie Zeeland beschikt over reeksen vegetatie-opnamen vanaf 1980
in provinciale wegbermen. Deze gegevens zijn verwerkt en geanalyseerd
op ontwikkelingen in soortensamenstelling en standplaats. Geconcludeerd
is dat het gevoerde beheer van maaien en afvoeren op oorspronkelijk
voedselrijke plaatsen heeft geleid tot verschraling en een grotere
soortenrijkdom, en op van oorsprong minder voedselrijke plaatsen tot
verdere stabilisatie van de vegetatie of tot consolidatie.

Interviews randvoorwaarden beheer
nieuwe wegen
provincie Limburg
(Provincie Limburg, 1992; 92106-pi/pw)
In het kader van de Wet Herziening Wegenbeheer heeft de provincie
Limburg per 1 januari 1993 ca. 300 km aan extra wegen in beheer
gekregen. De provincie wil het beheer van deze wegen afstemmen op
randvoorwaarden ten aanzien van onder andere verkeersveiligheid,
landschap en ecologie. Om inzicht te krijgen in deze randvoorwaarden
zijn interviews gehouden met personen die, vanuit hun werk, de
plaatselijke situatie goed kennen en bovendien ter zake kundig zijn op
een van de genoemde gebieden.

Evaluatie en planning bermbeheer
Haarlemmermeer
(Gemeente Haarlemmermeer, 1992; 92101-pi/hj)
De gemeente Haarlemmermeer heeft in 1989 De Groene Ruimte een
ecologisch beheerplan laten opstellen voor het ZO-kwadrant van de
gemeente. Met ingang van 1990 is het beheer conform dat plan
uitgevoerd. Teneinde de resultaten van dat beheer te kunnen toetsen is
in 1992 op basis van een her-inventarisatie het gevoerde beheer
geëvalueerd. Tegelijkertijd zijn de bermen in het MO-kwadrant
geïnventariseerd. Ook voor deze bermen is, mede op basis van
de
uitgevoerde evaluatie, een bermbeheerplan op ecologische grondslag
opgesteld.

Bermgraskwaliteit
Onderzoek
bermmaaiselkwaliteit 2002-2004
(Prov. Overijssel, 02402pi; Waterschap De Maaskant, 02403pi, prov.
Noord-Holland, 03426pi-mv;, prov. Zuid-Holland, 03431pi-mv, Actief
Bodembeheer de Kempen, 03422pi-mv, 04458pi-mv)
In opdracht van verschillende wegbeheerders zijn onderzoeken gedaan
naar de kwaliteit van bermmaaisel en slootmaaisel. Daarbij zijn op
tevoren geselecteerde locaties op een gestandaardiseerde wijze monsters
genomen van het maaisel. Aan deze monsters zijn onder andere de
gehalten aan zware metalen bepaald. De analyse is uitbesteed aan SGS te
Arnhem. De resultaten zijn geanalyseerd en getoetst aan een aantal
relevante normen en toetswaarden uit de wet- en regelgeving. Zink en
cadmium blijken soms de kritische parameters te zijn.
Voor Actief Bodembeheer de Kempen is onderzoek gedaan naar de relatie
tussen gehalten aan metalen in maaisel en de aanwezigheid van
zinkassen; een duidelijke relatie werd niet gevonden, maar wel bleken
de gehalten aan zink en cadmium in het maaisel soms vrij hoog. Ook is
een raai-onderzoek gedaan naar het gehalte aan zware metalen in relatie
tot de afstand tot de zinkfabriek in Budel-Dorplein; daarbij is
vastgesteld dat de vervuiling afneemt als de afstand toeneemt.

Bermgraskwaliteit Provincie
Gelderland, Rapportage
Risicolocaties 1999 en 2000
(Provincie Gelderland, 1999, 2000; 99288 en 00321-pi/jb/ms/pg)
In Gelderland is de kwaliteit van bermgras langs provinciale wegen
onderzocht. Op een beperkt aantal plaatsen worden relatief hoge waarden
van vervuilende stoffen verwacht. Op deze plaatsen is enkele
opeenvolgende jaren de milieuhygiënische kwaliteit van
bermgras
gemeten.

Vergelijkend onderzoek
afwerkingsmethoden
middenbermen
(Rijkswaterstaat Directie Noord-Brabant, Den Bosch, 1990 t/m 2000;
90072-pi/jb, 93129-pi/jb, 00319-pi)
Aan de afwerking van middenbermen van Rijkswegen worden hoge eisen ten
aanzien van veiligheid, beheer en onderhoud gesteld. Om verschillende
afwerkingsmethoden op deze punten te kunnen vergelijken is in
Noord-Brabant een aantal proefvlakken aangelegd in praktijksituaties in
middenbermen. Daarin worden de ontwikkeling van de vegetatie en de
factoren die van invloed zijn op de verkeersveiligheid (bijvoorbeeld
erosie) in de verschillende proefvakken over verloop van een aantal
jaren gevolgd. Ook wordt gekeken naar mogelijke milieubelasting bij
hergebruik van de materialen. Het onderzoek is in 1990 gestart.

Monitoring bermgraskwaliteit
provincie Noord-Brabant
(Provincie Noord-Brabant, 1998, 1999, 2000; 98255-pi, 99296-pi,
00315-pi).
N.a.v. de resultaten uit eerder onderzoek is in 1998 een
monitoringonderzoek opgezet voor het bepalen van de milieukwaliteit van
het bermgras langs provinciale wegen. Verspreid over de provincie
Noord-Brabant zijn jaarlijks monsters genomen van het bermmaaisel
(incl. slootmaaisel) en geanalyseerd op de gehalten Koper, Cadmium en
Zink. De resultaten zijn geanalyseerd in relatie tot de
verkeersintensiteit, afstand tot verkeerslichten, heersende
windrichting en droogtijd tussen maaien en ruimen. Ook zijn de
resultaten getoetst aan de normen en toetswaarden voor toepassing als
veevoer, compost, zeer schone compost, zwarte grond en
bodemverbeteraar.
Omdat het onderzoek meerdere jaren beloopt en de eindrapportage nog
niet is opgesteld kunnen nog geen resultaten vermeld worden.

Bepaling Fluor-gehalte bermmaaisel
(Afvalverwijdering Limburg AVL; 2000; 00310-pi)
Vanwege aanwijzingen dat Fluor wellicht een bepalende rol zou kunnen
spelen in de toepasbaarheid van bermgras als grondstof voor veevoer
heeft AVL opdracht gegeven om van een 10-tal monsters het gehalte aan
Fluor te bepalen. Dit is gebeurd aan een aantal gedroogde monsters uit
het monsterbestand van De Groene Ruimte; van deze monsters is exact
bekend wanneer en waar ze genomen zijn, en ook zijn veel
omgevingsfactoren bekend. Het gehalte aan Fluor bleek in alle monsters
ver beneden de norm voor veevoer te liggen.

Typologie Bermgraskwaliteit
(Alterra, 1999; 99306-pi/jb/ms)
Ieder jaar komen er bij het beheer van wegbermen vele duizenden tonnen
bermmaaisel vrij. Aangezien het landelijk milieubeleid is gericht op
beperking van de afvalstromen, is het gewenst om voor dit materiaal
vormen van hergebruik of nuttige toepassing te ontwikkelen.
In de praktijk vindt onder andere toepassing plaats als
bodemverbeteraar voor landbouwgronden, waarbij het maaisel direct,
d.w.z. zonder eerst te zijn gecomposteerd, wordt doorgewerkt in de
toplaag van de bodem. Hiervoor ontbreekt echter een landelijke
wetgeving.
Gewenst is, dat landelijke richtlijnen gaan gelden voor het onderwerken
van bermgras. Daarvoor moet eerst meer duidelijkheid bestaan over de
milieuhygiënische kwaliteit van bermgras. De Groene Ruimte
heeft
daarom in samenwerking met onderzoeksinstituut Alterra een onderzoek
uitgevoerd naar de relatie tussen de herkomst van bermgras en de
aanwezigheid van zware metalen en Arseen in het maaisel. De uitkomsten
zijn in de vorm van een typologie uitgewerkt.

Geschiktheid bermmaaisel als
grondstof voor veevoer
(Afvalverwijdering Limburg AVL; 1999; 99290-pi)
Ter voorbereiding van een eventuele toepassing als grondstof voor
veevoer is in opdracht van AVL een overzicht opgesteld van relevante
analysegegevens. Daarbij zijn diverse beheerders benaderd en heeft een
vrij uitgebreid bronnenonderzoek plaatsgevonden. De verzamelde gegevens
zijn samengevat en uit de resultaten zijn algemene conclusies getrokken
ten aanzien van bruikbaar van het maaisel maar ook van de gegevens
zelf. Aan zijn aanbevelingen gegenereerd voor beter kwaliteitsonderzoek
van (berm)maaisel.
Meetnet Bermgraskwaliteit
Provincie Gelderland,
Resultaten 1998
(Provincie Gelderland, 1999; 98253-pi/ms/lg/jb)
De Provincie Gelderland wil inzicht krijgen in de kwaliteit van het
bermgras langs provinciale wegen. De mogelijkheden voor hergebruik (als
veevoeder, bodemverbeteraar of basis voor compost) worden duidelijk
wanneer bekend is wat de kwaliteiten van het materiaal zijn
(milieuhygiënisch, veevoederwaarde, landbouwkundige waarde).
Op 76 plaatsen is het bermgras onderzocht en getoetst aan normen voor
verschillende toepassingen. Dit heeft geleid tot adviezen voor
hergebruik van het materiaal en voortzetting van het meetnet, op
beleidsniveau en op uitvoeringsniveau. Het meetnet heeft daarnaast veel
gegevens opgeleverd die gebruikt zullen worden voor een landelijk
onderzoek naar bermgraskwaliteit.

Toepassing Richtlijn bepaling
milieuhygiënische
kwaliteit berm- en slootmaaisel
(diverse gemeenten 1998; 98262-pi, 98263-pi, 98266-pi, 98267-pi,
98270-pi, 98271-pi, 98272-pi, 98273-pi, 98274-pi, 98277-pi)
In samenwerking met de provincie Noord-Brabant is een richtlijn
ontwikkeld voor het bemonsteren van maaisel en voor het toetsen van de
analyseresultaten aan de diverse milieuhygiënische normen. In
1998
is deze richtlijn toegepast voor de gemeentes Boxmeer, Mill, Maasdonk,
Veghel, Boekel, Bernheze, St. Anthonis, ravenstein, Grave en Lith. De
resultaten waren, ook per gemeente, divers: in een aantal gevallen
bleek het bermgras geschikt voor toepassing als veevoer en/of
bodemverbeteraar, in een aantal andere gevallen niet.

Monitoringsplan Bermgraskwaliteit
Provincie
Gelderland
(Provincie Gelderland, 1998; 98253-pi/jb/ms)
De Provincie Gelderland wil inzicht krijgen in de kwaliteit van het
bermgras langs provinciale wegen. Hiertoe is in 1998 het
‘Meetnet
Bermgraskwaliteit Provincie Gelderland' opgezet. Het meetnet omvat 76
locaties, verspreid over de provincie. In het monitoringsplan wordt
aangegeven welke acties in de komende 10 jaar nodig zijn om het meetnet
actueel te houden.

Richtlijn
bepaling milieuhygiënische kwaliteit
berm- en slootmaaisel
(Provincie Noord-Brabant, 1997; 97234-pi/jb)
Om de afzetmogelijkheden van berm- en slootmaaisel te bepalen dient de
beheerder inzicht te hebben in de milieuhygiënische kwaliteit.
Hiervoor moeten maaiselmonsters worden genomen en geanalyseerd. Om
gemeentes hierbij behulpzaam te zijn is in samenwerking met de
provincie Noord-Brabant een richtlijn ontwikkeld voor het bemonsteren
van maaisel en voor het toetsen van de analyseresultaten aan de diverse
milieuhygiënische normen. Door middel van het uitvoeren en
invullen van deze richtlijn kunnen de Noord-Brabantse gemeenten
vaststellen wat de kwaliteit is van het berm- en/of slootmaaisel.
Daarmee zijn de mogelijkheden voor rechtstreekse toepassing (veevoer,
compost, bodemverbeteraar) bekend.

Milieu-aspecten bij het dagelijks
bermonderhoud
(Provincie Noord-Brabant, 1993, 1995; 93111-pi/jb, 95182-pi)
De provincie
Noord-Brabant
beheert een groot aantal wegbermen. De
milieubelasting van het dagelijkse bermonderhoud en -beheer is
onderzocht, met speciale aandacht voor de hoeveelheid en kwaliteit van
het daarbij vrijkomende maaisel. De mogelijkheden om hoeveelheid en
mate van vervuiling te beperken zijn aangeven, evenals het wettelijk
kader en de verwerkingsmogelijkheden. De resultaten zijn verwerkt tot
een onderzoeksrapport en een milieu-handboek voor het dagelijkse
bermbeheer.
In 1995 is een vervolgonderzoek uitgevoerd. Daarbij is de kwaliteit van
bermgras onderzocht in relatie tot de factoren grondsoort, ligging ten
opzichte van overheersende windrichting en afstand tot verkeerslichten.